Individuele stookkosten (warmtevoorzieningen)

Wanneer u in een complex woont dat is voorzien van een collectieve verwarmingsinstallatie krijgt u te maken met een afrekening stookkosten. Er staat dan nl. in het complex maar 1 verwarmingsketel, die alle woningen verwarmt. Er is dus geen directe relatie tussen huurder en gasbedrijf en er kan niet direct bepaald worden hoeveel m3 gas er in de verschillende woningen is verstookt.

Zeer waarschijnlijk betaald u maandelijks een voorschot op de stookkosten tezamen met de voorschotten op de overige servicekosten. Een keer per jaar wordt een afrekening servicekosten opgemaakt. Deze afrekening servicekosten kan ook bevatten de afrekening individuele stookkosten, echter in de praktijk wordt de afrekening stookkosten vaak afzonderlijk van de afrekening servicekosten verstrekt. Het apart afrekenen kan mede komen door afwijkende afrekenseizoenen. Een veel voorkomend afrekenseizoen in geval van stookkosten is juli tot en met juni, waar servicekosten veelal over een kalenderjaar worden afgerekend.

Kosten welke samenhangen met verwarmen van het woonruimtegedeelte van het gehuurde komen voor doorberekening aan huurders in aanmerking. Deze kosten bestaan over het algemeen uit:
- energiekosten (olie of gas);
- elektriciteitsverbruik;
- waterverbruik;
- kosten voor aanschaf van een verbruiksregistratiesysteem (warmteverbuiksmeters);
- kosten voor aflezen van een verbruiksregistratiesysteem.

De energiekosten worden door het energiebedrijf veelal bij uw verhuurder in rekening gebracht (de kosten van gas en elektra kunnen uit twee delen bestaan: een netwerk deel en een leveringsdeel).

Wanneer u een woning huurt in een complex voorzien van een collectieve verwarmingsinstallatie zijn er in principe een drietal mogelijkheden:
1. De totale stookkosten worden niet-individueel verdeeld, maar worden verdeeld naar rato van bijvoorbeeld het aantal woonruimten (eventueel rekening houdend met een verdeelsleutel als de grootte van de woning).
2. De totale stookkosten worden verdeeld op basis van een verbruiksregistratiesysteem.
3. De totale stookkosten worden verdeeld op basis van de graaddagen methode.

Niet-individuele bemetering
Ad 1. De Huurcommissie schrijft voor dat wanneer er sprake is van niet-individuele bemeteringĀ  de totale stookkosten worden verdeeld op basis van de volgende verdeling:
35% (vaste kosten) gelijkelijk verdeeld over het aantal woonruimten;
65% (variabele kosten) naar rato van het aantal vierkante meter vloeroppervlak van de woonruimten.

Dit neemt niet weg dat wanneer er nauwkeurigere gegevens beschikbaar zijn (bijvoorbeeld het verwarmend oppervlak van de radiotoren) het beter is deze gegevens te gebruiken voor de verdeling van de kosten. Ook de Huurcommissie zal indien deze gegevens beschikbaar zijn, deze in haar overwegingen betrekken als de gebruikte registratiemethode tot een redelijker verdeling komt.

Indien de exploitatieperiode (periode waarover het energiebedrijf afrekent) afwijkt van de huurperiode, kan gebruik worden gemaakt van de graaddagen methode. Het aantal gewogen graaddagen van een periode geeft aan hoeveel graden de gemiddelde etmaaltemperatuur van die periode beneden de stookgrens van 18Ā° C ligt.

Een voorbeeld mbt de verdeling van stookkosten in geval van niet-individuele bemetering vindt u hier.

Kostenverdeling op basis van een verbruiksregistratiesysteem
Ad 2. Voor het verdelen van de totale stookkosten wordt veelvuldig gebruik gemaakt van een verbruiksregistratiesysteem. Dit kunnen zijn warmtemeters (doorstroommeters), (radiografische) elektronische radiatormeters, verdampingsmeters (hierna alleen nog te noemen warmtemeters). Er zijn in Nederland een aantal gespecialiseerde bedrijven die dergelijke systemen leveren en ook de jaarlijkse aflezing en kostenverdeling kunnen verzorgen.

De kosten van dergelijke warmtemeters komen voor doorberekening in aanmerking, mits ze als een roerende voorziening kunnen worden aangemerkt. Er is sprake van een roerende zaak wanneer de warmtemeters kunnen worden aangebracht (en verwijderd) zonder dat de installatie geheel of gedeeltelijk moet worden gedemonteerd.
Systemen (als bijvoorbeeld doorstroommeters) die uitsluitend kunnen worden aangebracht door de installatie (gedeeltelijk) te ontmantelen, worden aangemerkt als een onroerende zaak. Het is niet toegestaan (aanschaf)kosten van dergelijke onroerende zaken via de service- of stookkosten door te belasten aan de huurders. De vergoeding voor dergelijke onroerende zaken wordt geacht te zijn begrepen in de huurprijs.

Warmtemeters gaan lang mee en de aanschafprijs is hoog. De aanschafkosten van warmtemeters mogen daarom annuitair verrekend worden in de jaarlijkse stookkostenafrekening. Worden de warmtemeters echter gehuurd van een gespecialiseerd bedrijf, dan is het toegestaan het jaarlijkse huurbedrag in de stookkostenafrekening te verwerken.

Net als in geval van niet-individuele bemetering wordt vaak standaard uitgegaan van een verhouding van 35% van de totale stookkosten als vast kostendeel en 65% van de totale stookkosten als variabel kostendeel. Het variabele deel wordt verdeeld op basis van de werkelijke verbruiken van de meters.

Dit verdelen van wordt vaak gedaan door een warmtekostenverdeelbedrijf als Ista, Techem of WMS. Via uw verhuurder krijgt u dan een door een dergelijk bedrijf opgestelde afrekening. Voor vragen over de afrekening wordt vaak verwezen naar het warmtekostenverdeelbedrijf. Dikwijls stuurt de verhuurder een informatiefolder mee, zie voorbeeld.

Uw verhuurder betaald voor de diensten van het warmtekostenverdeelbedrijf; dit kan betreffen de kosten voor het opnemen van de meterstanden, maar het kan ook betreffen de kosten voor het opmaken van de individuele afrekeningen. Het is uw verhuurder toegestaan over de totale kosten (stookkosten plus de kosten van het warmtekostenverdeelbedrijf) administratiekosten in rekening te brengen.

Voorbeelden mbt de verdeling van stookkosten op basis van een aantallen warmtemetereenheden vindt u hier (met en zonder gemeenschappelijke ruimten).

Kostenverdeling op basis van graaddagen
Ad 3. Wanneer de totale kosten worden verdeeld op basis van de graaddagen methode zal er in veel gevallen bij iedere woning een doorstroommeter hangen. De standen van de doorstroommeter worden jaarlijks opgenomen door bijvoorbeeld de verhuurder of huismeester. Zo is voor iedere woning het jaarverbruik bekend. Wanneer bij mutaties de meterstanden niet worden opgenomen biedt de graaddagen methode uitkomst. Op basis van deze methode is te bepalen welk deel van het jaarverbruik is toe te rekenen aan welke bewoner.

Een voorbeeld mbt de verdeling van stookkosten op basis van de graaddagenmethode vindt u hier.

Uitleg over individuele stookkosten en administratiekosten vindt u bij het onderwerp administratiekosten.

 



   
   

 
Naar boven